Instrumentalisme: het fagotriet
In deze moderne tijd zijn er nog maar weinig echte ambachten overgebleven. Eén daarvan is het Oudhollands rietenmaken. Je komt het nog maar weinig tegen op de jaarlijkse traditionele markten en vandaar dat de VHV eens aandacht besteed aan dit interessante, doch lastige werkje.
Daar waar koperblazers
eenvoudig hun mondstuk uit hun koffer pakken en de strijkers snel even
een snaartje verwisselen, zitten de houtblazers (fluiten uitgezonderd uiteraard)
altijd te hannissen met hun rieten. Een klarinettist kan zo ongeveer de
“tien procents regel” hanteren: slecht één van de tien rieten
in hun net gekochte doosje is vaak slechts bespeelbaar, de rest kan ’s
avonds meteen in de open haard. Toch hebben zij het nog gemakkelijk vergeleken
bij de hobo- en fagottisten. Zij dienen zelf hun speelhoutje te prepareren
en kunnen niet terugvallen op bulkproductie zoals de klarinettisten. Aangezien
ik geen verstand heb van hobo-rieten slaan we dat verhaal nu maar over,
maar geloof mij, hoboïsten klagen nog veel vaker over hun rieten,
dus hun trauma zal een stuk groter zijn dan dat van de fagottisten.
Goed, als fagottist heb je er dus een verplichte hobby bij. Er zijn wel rieten te koop, maar je hebt bijna nooit de garantie dat ze goed (en naar eigen smaak) bespeelbaar zijn. Bovendien betaal je tegenwoordig voor een afgewerkt fagotriet zo’n fl 25,=, dus toch de moeite van het zelf proberen wel waard.
In een apart kadertje heb ik het gereedschap, dat nodig is voor het
maken van een riet eens op een rijtje gelegd. En dat valt reuze mee. De
tangetjes zijn voor bijna niks verkrijgbaar bij de Praxis en een origineel
rietenmes kan handig vervangen worden door een goed houtsnijmes.
Laten we bij het begin beginnen. Riet groeit als ronde pijpen. Om hiervan uiteindelijk het goede beginmateriaal van te maken moeten deze pijpen gespleten worden in de lengterichting, van de binnenkant uitgegutst en op de juiste lengte worden gesneden en dan hebben we een plaatje riet zoals in figuur 1 (bovenste). Dat plaatje wordt dan geprofileerd (middelste) en gemodelleerd, totdat een plaatje is ontstaan als in figuur 1 (onderste). Er zijn trouwens allerlei mallen mogelijk om het riet in model te snijden en allerlei diktes mogelijk waarmee het profiel van het riet wordt gemaakt, maar hier zullen we maar niet op ingaan. Zo’n rietplaatje leggen we dan een dagje in het water (figuur 2), en daarna is het zacht genoeg om het te kunnen ombuigen (figuur 3). Omdat het rietje later op de Es, die zilveren buis waarmee de fagot begint, moet passen, moet de achterkant van het riet nogal van vorm veranderen om een mooie ronde opening te vormen. Dit gaat als volgt: het riet wordt van achteren strak omwikkeld met een natte katoenen draad, tot helemaal over het riet blad (figuren 4 en 5).
Dan wordt het
verhaal gewelddadig, want met een opsteekpen (figuur 6) kan de achterkant
van het riet worden vervormd tot een mooi rond buisje. Deze opsteekpen
wordt eerst een tijdje flink verwarmd (figuur 7) en vervolgens in het arme
dubbelgevouwen rietje gestoken. Sissend en pruttelend vervormt het riet
en sluit zich netjes rond om de opsteekpen. Direct daarna kan de katoenen
draad worden afgewikkeld en worden vervangen door een viertal koperdraadjes,
die twee keer om het riet worden gebogen en dan vast worden gedraaid (figuur
8).
Het riet begint
al op een echt fagotriet te lijken, maar wat ontbreekt er nog, inderdaad,
dat karakteristieke touwbolletje. Hier kan iedere fagotrietmaker zijn fantasie
de vrije loop laten, want kleur, vorm en grootte van het bolletje is voor
ieder riet anders. Er is garen te koop dat iedere zoveel centimeter van
kleur verandert, en in opgewonden vorm resulteert dit in een vrolijk veelkleurig
bolletje. Het kost enige oefening om een aardig bolletje te draaien, maar
de essentie is om het tweede koperdraadje van onder te verbergen. Het onderste
koperdraadje is overigens facultatief, want je kan het gebruiken om het
riet goed te laten aansluiten, zonder lekken, aan de Es. In figuur 9 is
te zien hoe het bolletje kan worden gewonden. Wat ons dan nog rest is het
lijmen of lakken van het touwbolletje, om te voorkomen dat het halverwege
een concert uit elkaar begint te vallen. Hiervoor kun je gewoon een tubetje
Velpon gebruiken, maar vernis is ook mogelijk.
Na het drogen
wil het riet nog wel eens zijn vastgeplakt aan de opsteekpen, maar ook
dit is met enig geweld wel te verhelpen. Tot slot moet het riet worden
besneden. In het begin hebben we het riet omgevouwen, en dus moet de rafelige
bovenkant van het riet worden afgesneden.
Uiteindelijk
hebben we een fagotriet, waar nog voor geen meter op kan worden gespeeld,
maar dat er wel mooi uitziet (figuur 10). Om erop te kunnen spelen moet
nu het riet worden afgewerkt, geschuurd en gesneden, totdat de tip netjes
de goede dikte heeft (figuur 11).
Dat afwerken van een riet is een erg lastig werkje. Hoboïsten vinden over het algemeen dat fagottisten maar rietenslagers zijn, omdat een fagotriet veel groter is en dus ook wat meer kan lijden bij het snijden. Een contrafagotriet vinden hoboïsten overigens helemaal een surfplank, waar al weinig aan te verprutsen valt. Toch is deze indruk niet helemaal een juiste. In figuur 12 staat een rietplattegrondje gegeven, waarin een groot aantal gebiedjes zijn te vinden, en snijden of schuren in al die gebiedjes kan weer een ander effect op het geluid van het riet hebben. Daarnaast kan een riet ook nog eens veranderen door veranderende weersomstandigheden. Geachte lezer, als je dus een ploeterende rietblazer ziet, bedenk dan wat voor ouderwets ambachtswerk daar wordt geleverd.
Literatuur: Bassoon reed making, Mark Popkin & Loren Glickman (1969). Bassoon reed making, a basic technique, Christopher Weait (1970).
Tot slot, iedere fagottist heeft zo z’n eigen technieken, dus de hier beschreven methode is slechts een persoonlijke en zeker niet de enige.
Door:
Marcel Beckers
© 1998 VHV, Eindhoven.